Historie

Het ontstaan van Lage Vuursche
Tot de 17e eeuw was Lage Vuursche een gehucht en waren er naast kasteel Drakesteyn niet meer dan 4 huizen. Dit veranderde toen Drakesteyn in het bezit kwam van ene Gerard van Reede. Hij liet de oude hofstede eerst afbreken en een nieuw huis bouwen: het huidige Drakensteyn. Daarnaast wilde hij van de Vuursche een echte gemeenschap maken. Hij stelde grond beschikbaar voor de bouw van het kerkje met pastorie, een molen, een school, een boerderij annex rechthuis/tolhuis en woningen. Er kwam een weg van Hilversum over de Vuursche naar De Bilt. Lage Vuursche werd een echt dorpje!



Lage Vuursche als pleisterplaats
Voor de aangelegde weg van Hilversum naar De Bilt, de huidige Vuursche Steeg, moest tol worden geheven. Dit gebeurde in die tijd in één van de boerderijen, het huidige Café Restaurant De Lage Vuursche. Geertruide, de vrouw van Gerard van Reede, had de gewoonte deze boer wat bier en jenever te geven, als compensatie voor zijn werk van tolgaarder. Na korte tijd schonk de boer zelf een glaasje in voor de langstrekkende reizigers en werd het de eerste herberg in Lage Vuursche. In 1865 pachtte Willem van Oosterom deze boerderij. Hij was toen nog vooral boer, maar dat veranderde in de loop van de jaren. Zijn tweede vrouw, de dochter van de bakker, maakte pannenkoeken tot specialiteit van de herberg. Zij trok hiermee al snel bezoekers uit de wijde omgeving, dit was het begin van de reputatie van Lage Vuursche.



De bossen rond Lage Vuursche

U kunt het zich nauwelijks voorstellen, maar tot de 19e eeuw was deze streek nog voor een groot gedeelte boomloos. Er waren hier uitgestrekte landerijen, belangrijke veengronden en op de zanderige stukken groeide hei. Er werd echter roofbouw gepleegd op de omgeving. Vanaf de Middeleeuwen was het steken van turf hier een winstgevend bedrijf, waardoor grote delen van de Vuursche in een soort moerasland veranderde. Ook met de hei ging het slecht: de boeren hadden ontdekt dat de schapenmest vermengt met heiplaggen een prima bodemverbeteraar was waardoor hun akkers meer opleverden. Om deze reden maaiden en staken ze heel veel hei af.
Door invoering van kunstmest werden de schapen geleidelijk aan overbodig en met het verdwijnen van de schapen leefde de natuur weer op. Eerst herstelde de hei, later schoten berken, eiken, lijsterbessen en vogelkers weer op. Naast natuurlijk herstel gingen de eigenaren van de bosgebieden ook doelbewust bossen opnieuw aanplanten. Percelen werden beplant met de Grove Den en de Douglas Spar, om later het hout te kunnen verkopen. Ook werden diverse wegen van bomenrijen voorzien. We kunnen nu nog zien dat zij hiervoor vaak Beuken gebruikten. In de loop der jaren leerden de boseigenaren dat door de aangeplante sparren en dennen de bodem nogal verzuurde. Om dit te voorkomen werd er meer variatie in beplanting aangebracht.
Nu, in de 21ste eeuw, is de Vuursche weer een prachtig bos met gevarieerde struiken en bomen, waar we allemaal zo graag van genieten!