De bevrijding van Lage Vuursche


Wat is er eigenlijk bekend over de oorlogsjaren en bevrijding van Lage Vuursche? Deze vraag komt op bij de viering van 75 jaar bevrijding in Nederland. Oudere Vuurschenaren herinneren zich dat twee geallieerde militairen op de motor in het dorp arriveerden bij restaurant ‘de Lage Vuursche’. Op de voorkant is een rood koperen baret embleem te zien dat Canadese strijdkrachten droegen, toen ze arriveerden in Lage Vuursche. Ze gaven het aan Bart Kuus die het jarenlang heeft bewaard. Het staat symbool voor onze vrijheid.

Deze informatie is verzameld als achtergrond voor een bevrijdingsconcert. De Stichting Welzijn Bewoners Lage Vuursche had een feestelijk programma samengesteld en aan de Stulpkerk gevraagd het afsluitende concert te organiseren. Alles is door de corona-crisis anders gegaan. We danken de stichting voor hun inzet!

G.H. Kruijmer
H. Kuus

Reacties of aanvullende informatie ontvangen wij graag: gb.kruijmer@solcon.nl


1. Onderduikers in ‘het Duikje’

In het voorjaar van 1943 werd door het ‘Vuursche verzet’ een onderduikhut gebouwd in een jong dennenbos. Het is niet meer bekend waar de hut precies stond, maar het moet vlakbij het voormalige klooster zijn geweest, waar nu het verpleeghuis ‘Elisabeth Park’ is. Bij dit klooster was een pomphuisje, dat er nog steeds staat aan de rand van het terrein. Vanaf dit huisje liep een elektriciteitskabel naar de hut. Het kan dus niet ver het bos in zijn geweest, waarschijnlijk op een afstand van zo’n meter of zestig vanaf het hek. Daarachter begint het bos. ‘Het Duikje’ bood onderdak aan een wisselende groep verzetsmensen, maar ook twee bemanningsleden van een geallieerde bommenwerper en een Joodse jongeman. Aanvankelijk was het een ruimte van 7 vierkante meter. Er bleek na verloop van tijd meer ruimte nodig te zijn en de hut werd verbouwd naar 16 vierkante meter. Zo was er ruimte voor 10 personen. Er was een provisorische keuken en een slaapgedeelte. Er stond een lange tafel met drie banken op de houten vloer. Verder waren er twee kasten die plaats boden aan een bibliotheek en radio. Buiten was een verplaatsbare latrine en kuilen voor de fietsen. De rector en moeder-overste van het aangrenzende klooster zorgden voor elektriciteit, voedsel en water. Ook was er hulp van Staatsbosbeheer. Beheerder A. van de Hoef beloofde dat hij en zijn bosarbeiders het bosje waar de hut stond zouden mijden, zolang de oorlog zou duren.

De meeste bewoners van Lage Vuursche hadden geen idee van wat zich afspeelde in het bos. Door de historische kring Baarn zijn oude krantenknipsels gedigitaliseerd. Daarin zijn de herinneringen te lezen van Margarethus Oskam, agent van de politie te Lage Vuursche. We zijn dankbaar dat deze informatie door de inzet van dhr. Wim Velthuizen uit Baarn bewaard is gebleven. Een letterlijk citaat uit deze artikelenserie.

‘Dat een klein plaatsje in het verzet groot kan zijn, bleek overduidelijk in de achter ons liggende oorlogsjaren 1940 tot en met 1945, toen terreur, verraad en deportatie ons iederen dag bedreigden en het verzet tegen den vijand in alle lagen der bevolking begon te groeien. Toen was het dat Lage Vuursche in het actief verzet tegen den overweldiger werd ingeschakeld. Leek het aanvankelijk alsof alle bewoners van het dorp passief in het verzet tegen den vijand waren, spoedig bleek, dat er zich ook actieve lieden onder hen bevonden, die zich, zonder nog iets af te weten van de aanduiding L.O. als organisatie, onmiddellijk en spontaan gaven, om hun christenplicht van naastenliefde, zonder aanzien des persoons te vervullen en niet lettende op de strafmaatregelen, waarmee de bezetter dreigde.

Op zekeren dag kwam door bevriende relatie de tijding uit Bilthoven, dat er zich 26 Joodsche mensen in gevaar bevonden, die in afwachting van definitieve adressen ergens ondergebracht moesten worden. Het bleek dat die menschen in een huis ondergedoken waren en dat daar nu de Duitsche politie een overval had gedaan. De gezochte menschen hadden zich, dankzij een goed werkend alarmsysteem net bijtijds kunnen verstoppen onder de vloer en in andere schuilplaatsen. Het gelukte de kranige Bilthovenaren die menschen uit dat huis te halen en naar Lage Vuursche en omgeving te vervoeren. Inmiddels was daar voor hen tijdelijk onderdak gevonden en werden de menschen in twee opeenvolgende avonden door de bosschen naar hun tijdelijke adressen gebracht. Zoo was het eerste contact met ‘het verzet’ uit Bilthoven gelegd’.

Vanuit ‘het Duikje’ werden berichten doorgeseind naar Engeland. Men drukte pamfletten, die stiekem naar het arbeidskamp ‘Drakenburg’ bij Hilversum werden gesmokkeld. Onder de kampstaf waren vertrouwelingen van het verzet, die vaak moedig hebben gehandeld door de arbeiders te waarschuwen. In de bewaarde krantenartikelen die wordt bijzondere aandacht gevraagd voor commandant M. Oskam. Hij bleef op zijn post om het verzet voet aan de grond te geven.

politieagent Margarethus Oskam
politieagent Margarethus Oskam

Langzamerhand streek de winter neer in bossen van de Lage Vuursche. De dennen verloren vele van hun naalden en verminderden de veilige geborgenheid van de hut. Er waren te weinig dekens in ‘het Duikje’. De onderduikers hadden gebrek aan warme kleding en schoenen. Toen stelde commandant Oskam voor om te gaan kijken of ze in het Hilversumse Arbeidsdienstkamp iets voor hen zouden kunnen missen. Hij trok zijn politie-uniform aan, evenals Jan van Breukelen, een Woerdense journalist-onderduiker, en ging polshoogte nemen. Ze wisten een plattegrond van het kamp te bemachtigen en op een donkere oktoberavond in 1943 slopen negen mannen door de bossen op weg naar het kamp. Daar schoof de fourier om drie uur ’s nachts de grendel van een achterdeurtje en liet hen binnen. In ijltempo werden de dekens, truien en uniformen, schoenen, petten en andere uitrustingsstukken in zakken gepakt. Na een aantal minuten slopen de negen weer door het poortje naar buiten en verdwenen in het donker. In de daaropvolgende dagen waren er opvallend veel ‘arbeidsdienstmannen’ aanwezig de buurt van Lage Vuursche. Hun papieren waren keurig in orde en de Duitsers lieten hen ongehinderd passeren.

‘Het Duikje’ heeft bestaan tot enkele dagen na Kerstfeest 1943. Toen ontdekten de Duitsers deze schuilplaats, omdat ze werden verraden. De verzetsmensen konden op tijd wegkomen. Een van de onderduikers was de latere bisschop Herman Münninghoff (1921-2018). Hij heeft zijn herinneringen verteld aan dhr. Wim Velthuizen in een reportage van RTV Baarn, die zeer de moeite is om te bekijken.

2. De vernietiging van Lage Vuursche voorkomen

In het eerder genoemde krantenartikel wordt verteld hoe een onverschrokken politieman de vernietiging van Lage Vuursche op het nippertje voorkwam. Opnieuw een letterlijk citaat.

‘Het einde van “t Duikje” betekende niet het einde van het ondergronds verzet in de Vuursche. Dàt was nog verder aangewakkerd en bereikte zijn triomphale apothese toen Oskam, bijstaand door de Hilversumse K.P.-ers, Jan van Laren, Karel Kregten en Roel van de Heuvel in opdracht van de Hilversumse B.S. commandant G.J. Dieperink erin slaagden, het dorp Lage Vuursche te behoeden voor een vreselijke ontploffing, die evenmin voor Baarn en Hilversum zonder schadelijke gevolgen zou zijn geweest. De mof had opdracht gegeven 5000 ton munitie op de Lage Vuursche in de lucht te laten vliegen.

Dit heeft Oskam voorkomen! Maar het was op het nippertje. Hij trok zijn politie-uniform weer eens aan en ging een praatje maken met de Hauptmann, die aan het hoofd stond van een afdeling Russen, in Duitse dienst. Door zijn grenzeloze brutaliteit wist hij een plattegrond van de munitie-opslagplaats mee te pikken. Toen werd er overleg gepleegd. De munitieterreinen werden bewaakt door Russen met kwaadaardige honden. De projectielen lagen opgestapeld in hopen, die onderling verbonden waren door schroeikoorden. Als het zaakje opgeblazen zou worden, zouden alle Russen vijf kilometer wegtrekken en slechts de Hauptmann, een eerste luitenant en een vuurwerker achterblijven. De eerste lont zou in vlam worden gezet; het vuur zou naar alle munitiehopen kruipen en met een helse detonatie de Vuursche in de lucht doen vliegen. Over de levens der bewoners bekommerde men zich niet. Toen de Hauptmann op een voor hem kwade dag het plan van de terreinen miste, was hij ziedend van woede. Hij riep de politieman Oskam bij zich en vertelde wat er gestolen was. Oskam troostte de Hauptmann in zijn verdriet en schoof de schuld voor alle zekerheid maar op de ‘partissanen’ onder de Russen, waarover de Hauptmann dan ook de fiolen van zijn toorn uitstortte.

Op een donkere nacht is de heldendaad geschied. De ondergrondse werkers kropen door het mijnenveld, die rondom de munitieopslagplaats lag, ze werkten zich door de prikkeldraad-afrastering en betraden het terrein van de dood. Daar hebben ze alle lonten en schroeikoorden doorgesneden en ze onopvallend met stukjes hout weer aan elkaar gebonden. De vlam zou zijn weg naar de verraderlijke explosieven versperd vinden! Met angst en beven werd de dag afgewacht, waarop de moffen de sabotage zouden ontdekken en wraaknemen.

Doch als redders in de nood zijn op het laatste nippertje de Canadezen gekomen. Hun kanonnen bulderden reeds achter Amersfoort. Toen is Oskam naar de Hauptmann gestapt en heeft hem onbevreesd gesommeerd zich over te geven en als de drommel te maken dat hij en z’n mannen van het gevaarlijke terrein afkwamen. De Hauptmann, volkomen overdonderd, gehoorzaamde en enkele dagen lang, zijn driehonderd Russen met 5000 ton explosieven, in bedwang gehouden door één slecht-bewapende Hollandsche politie-agent!’.

Ik heb Hoofdagent Oskam dezer dagen bezocht. Hij zat aan het ziekbed van zijn vrouw, in een aardig huisje in het landelijk Lage Vuursche. Hij vertelde dat hij een week geleden bezoek had gehad van zijn eerste onderduiker: Flying Officer H. Sydny Hobday uit Londen’.

3. Onderduikers aan de Vuursche Steeg

Een plaats waar mensen een veilig onderdak vonden in de oorlogsjaren was de boerderij van de familie Van Dijk aan de Vuurse Steeg. Er zijn dagboekaantekeningen bewaard van onderduiker Kees Tappe die daar verbleef, samen met zijn broer en zijn latere zwager. Hij hield sinds de slag om Arnhem een agenda met notities bij. De aantekeningen zijn kort, maar fundamenteel. Het geeft een beeld van het leven in de donkere oorlogstijd. Vanuit Velp is hij op 3 oktober 1944 naar Soestdijk gelopen met een bokkenwagen en de rest van de familie was op de fiets. Vervolgens hebben ze op 22 oktober op de boerderij in Lage Vuursche een veilige verblijfplaats gevonden.

Kees Tappe en zijn familie, geboren en getogen Arnhemmers, moesten evacueren uit Arnhem. Op Soestdijk trokken ze in bij een tante dichtbij het paleis, die door omstandigheden alleen in een ruim huis woonde. Na verloop van tijd werd de situatie voor de drie jonge mannen onhoudbaar. Er waren veel Duitse soldaten in en rondom Soestdijk en het was ook de tijd dat razzia’s plaatsvonden om mannen te rekruteren voor de arbeidsdienst. Zodoende vertrokken Kees, zijn broer Jopie en Joop Waanders naar de boerderij van de familie Van Dijk. Uit het dagboek van Kees krijgen we een beeld van het leven in de oorlogsjaren. Ze kregen onderdak en werkten mee op de boerderij die er nog steeds is als een zichtbare herinnering.

De aantekeningen nemen ons even mee terug naar de donkere oorlogstijd. Daaruit een kleine selectie.

Op zondag 22 oktober 1944 noteert Kees dat hij ’s morgens met Moeke en Papa naar de kerk is geweest. Het is waarschijnlijk de Emmakerk te Soest geweest, de dichtstbijzijnde kerk vanaf Soestdijk. Op deze dag moeten alle mannen tussen 17 en 50 jaar zich melden. Zo gaan ze op weg naar een boer bij de Lage Vuursche en vertrekken ’s middags om 17 uur met Hans van den Berg. Zo arriveren ze bij de familie Van Dijk. In het dagboek wordt genoteerd dat het aardige mensen zijn. De eerste nacht hebben ze goed geslapen.

Op dinsdag 24 oktober 1944 krijgen we een verslag van een dag op de boerderij. Na het ontbijt, dat bestaat uit pap met brood, worden er bieten gerooid tot 12 uur. Dan is er de warme maaltijd en vervolgens gaat het werk op het land verder. Verder gebruikt Kees deze dag om een brief aan Janny te schrijven. Hij noteert in zijn dagboek dat ze de hele dag geweldig horen schieten en dat er veel vliegtuigen over komen. Ook de volgende dag worden er bieten gerooid. Verder vermeldt Kees dat er In Soestdijk twee huizen in brand zijn gestoken omdat de mannen zich niet wilden melden.

Op zondag 12 november 1944 vermeldt Kees dat ze naar de kerk zijn geweest, dat is waarschijnlijk de kerk in Lage Vuursche geweest. Hij schrijft opnieuw een brief aan Janny en wandelt met Moeke en papa. Verder is het een rustige zondag, ze hebben lekker gegeten en goed geslapen. Op zondag 14 januari 1945 vermeldt het dagboek dat in de omgeving razzia’s zijn gehouden, maar dat het goed is afgelopen.

Deze aantekeningen geven een beeld van het leven in de oorlogsjaren. Ze tonen de problemen waar mensen mee geconfronteerd werden. Het laat zien hoe mensen elkaar praktische hulp hebben geboden. De genoemde Hans van den Berg was een kolenboer die veel op de boerderij kwam. Vorig jaar vertelde dhr. Bertus van Dijk aan Hennie van Dijk dat in de oorlogsjaren werd aangedrongen om evacués in huis te nemen. Zo kwam de dominee van de Lage Vuursche, dominee A.G. Haring, op de boerderij vragen of een mogelijkheid was om aan twee of drie mensen hulp te bieden. De mensen waren evacués, maar ook mannen – onderduikers – die verordeningen van de Duitsers willens en wetens genegeerd hadden. Het was een strafbaar feit. Iets wat de familie Van Dijk duur had kunnen komen te staan! Dus wat de van Dijk ’s deden was heel moedig.

Via zijn zoon Frits Tappe is bekend dat Kees en Jopie twee keer zijn opgepakt door de Duitsers en in kamp Amersfoort terecht kwamen. De eerste keer werden ze ergens in de omgeving aan het werk gezet. Tijdens het avond- of morgenappel werd geroepen: ‘Brüder Tappe austreten’. Ze zagen tot hun stomme verbazing hun vader bij de poort staan. Het verhaal is dat hun vader een oude sergeant-majoor van de Duitse militaire politie had omgekocht met een zak bewaarde zilveren guldens. De tweede keer was na een verplichte werkdag, ze waren ingezet voor het werk aan loopgraven. Ze wisten te ontkomen in het duister van de avond. Kees Tappe eindigde de oorlog in Amsterdam, maar het is onduidelijk waar en hoe hij verbleef. Later keerde hij, met zijn familie, terug naar Arnhem.

Staand van links naar rechts: Wout van Dijk (zoon), Hendrika van Dijk (vrouw) Joop Waanders, Mien Tappe, Bertus van Dijk (zoon), gehurkt: Janny Bovenkamp, zittend van links naar rechts: Kees van Dijk, Corrie Tappe, Frits Tappe, Sijmen van Dijk (boer), Piet Drieënhuizen (vriend van familie)

In het jaar 2019 is Frits Tappe samen met zijn zus dezelfde route gegaan die zijn vader toen moet hebben afgelegd. Ze waren in Nederland voor de herdenking van 75 jaar Slag om Arnhem. Ze reden door Lage Vuursche en herkenden de boerderij van Hennie van Dijk van foto’s die hun vader had gemaakt in 1947. Op 2 januari 2020 is dhr. Bertus van Dijk op 99-jarige leeftijd overleden.

4. Dramatische gebeurtenissen

Op 21 maart 1944 om 23:50 uur ’s nachts stortte aan de Vuurscheweg ter hoogte van de boerderij van Huisman een Duitse tweemotorige bommenwerper neer. Het gaat om een Junkers Ju 88 140577 van Stab I/KG 66. Deze Junker was ongeveer drie kilometer verwijderd van  de landingsbaan van vliegveld Soesterberg. Door onbekende oorzaak verloor hij snel  hoogte en stortte brandend neer even westelijk van de Vuurscheweg, op 200 meter van de boerderij van Huisman. Bart Kuus herinnert zich dat hij vanuit het tolhuis de vlammen boven de bomen uit zag komen van het kleine stukje bos naast het weiland waar de bommenwerper gevallen was.

Op de Vuurscheweg en op het weiland lagen heel veel brokstukken. Het vliegtuig heeft bij zijn landing de toppen uit de bomen geslagen en volgens Bart Kuus heeft er nog een tijd lang een stuk vleugel in de boom gehangen aan de Vuurscheweg. Ook groeiden er een tijd lang weinig gras en andere gewassen door de olie en alles wat daar gebrand heeft. Op het kaartje is bij de grijze pin in het tweede weiland vanaf de weg te zien waar het vliegtuig ongeveer gevallen moet zijn.

Er heeft nog een tragische gebeurtenis plaatsgevonden bij de kruising van de Maartensdijkseweg en de Vuurse Steeg. Naast het tolhuis hielden de Duitsers controles. Er werden soms ook fietsen gevorderd. In de eindjaren van de oorlog kwam er een persoon aangefietst uit de richting van Lage Vuursche. De exacte datum is onbekend maar het moet eind 1944 of begin 1945 zijn geweest. Deze persoon kwam bij boer Van Dijk vandaan om te kijken of er Duitse soldaten bij het tolhuis stonden te controleren. Het bleek later een jonge vrouw te zijn, die bij de boer werkte. Omdat zij een blauwe boerenoveral droeg, dacht de Duitse soldaat die op de kruising stond dat het een man was. Hij zag haar aan komen fietsen.

Toen de vrouw op de fiets de soldaat zag, probeerde zij om te draaien en terug te fietsen richting Lage Vuursche. De Duitse soldaat riep nog ‘HALT!’, maar ze fietste door. De soldaat is vervolgens een stuk achter haar aan gerend richting Lage Vuursche en heeft toen zijn geweer aangelegd en geschoten. Daarbij is de jonge vrouw dodelijk geraakt. Het is bekend dat zij is opgebaard geweest in het baarhuisje bij de Stulpkerk in Lage Vuursche. Verder moet zij daar ook kort begraven zijn geweest, maar daarover ontbreekt de nodige informatie. Ook is niet bekend waar zij later werd begraven.

5. Munitiedepot in Lage Vuursche

In de laatste jaren van de oorlog hadden de Duitsers in en rond Lage Vuursche een grote munitieopslag gerealiseerd. Grote stukken van Zuid Nederland waren al bevrijd en de Duitsers moesten deze spullen dus elders opslaan. Vooral tussen de Zevenlindenweg en landgoed Drakensteyn bevonden zich grote hoeveelheden, maar ook op landgoed Pijnenburg waren wapendepots. Ook bij het tolhuis aan de Vuurscheweg werden grote stapels met munitie en explosieven het bos in gereden. Vanuit het tolhuis zag Bart Kuus het gebeuren en vertelt daarover: ‘Het was zoveel, de kratten munitie stonden opgestapeld tot de toppen van de bomen’.

Op de kruising van de Maartensdijkseweg en de Vuurscheweg staat aan de overkant van het tolhuis het ingangshek van landgoed ‘Vijverhof’. Door dit hek werd de munitie het bos in gereden met grote vrachtwagens. Tijdens een van de ritten reed een Duitse vrachtwagen achteruit het bos in. Het is een smalle doorgang en de Duitse soldaat maakte een stuurfout. Met de achterkant van de vrachtwagen reed hij de rechter hoekpaal aan en deze brak af op het punt waar Henk Kuus het aanwijst. De stenen hoekpaal heeft tot na de oorlog naast zijn fundament gelegen. Kort na de oorlog is deze hoekpaal weer teruggeplaatst en vastgemetseld door Peter Floor, die ook op de Vuurscheweg woonde.

De munitie werd bewaakt door Duitse soldaten, dag en nacht bij toerbeurt. De meeste soldaten sliepen en bivakkeerden in Venwoude, een nabijgelegen groot huis. Na de oorlog bewaakte een zestal Canadese soldaten deze munitie. De Duitsers leverde hun wapens en spullen in en vertrokken al snel terug naar Duitsland. De Canadese soldaten sliepen in tentjes in het bos en elke dag kwam er een Dodge truck water en eten brengen. De Canadezen hebben veel van deze Duitse munitie afgevoerd, maar sommige stukken lieten ze springen in een springgat in het bos van Venwoude. In het tolhuis hoorde je dan een grote doffe dreun, zo vertelt Bart Kuus. In het bos aan de overkant kun je nog steeds een groot gat zien zitten. Het is nu grotendeels gevuld met water en is deels overwoekerd door struikgewas. 

In de eerste kerkenraadsnotulen van de hervormde gemeente na de bevrijding is te lezen dat het grootste munitiedepot van de Duitsers in Nederland van september 1944 tot mei 1945 was gevestigd bij Lage Vuursche. Na de overgave werd aldaar een gevangenkamp voor soldaten ingericht. Kerk en pastorie bleven onbeschadigd. In de notulen werd opgetekend: “De Heere heeft het met de kerk en gemeente wonderlijk wèl gemaakt en ons vorstenhuis terug geschonken. Dat Zijn Naam geloofd worde”.

Er bleven wel munitieresten liggen en dat zorgde voor gevaarlijke situaties, zeker voor spelende kinderen. In augustus 1945 kwamen vlakbij de kerk twee inwoners van Baarn om toen een granaat ontplofte, een 51-jarige man en zijn 17-jarige zoon.

Een foto van het springgat in het bos tegenover het tolhuis

6. Oorlogstragedie te Soestdijk

Bij Lage Vuursche was enige tijd het grootste munitiedepot van Nederland, zoals in het vorige hoofdstuk is beschreven. Er is een tragische gebeurtenis – kort na de bevrijding – die niet mag worden vergeten, waarbij dertien Britse soldaten om het leven kwamen. Deze gebeurtenis is uitvoerig beschreven door Richard de Mos in een artikel met als titel ‘Oorlogstragedie te Soestdijk zonder monument’.

Na de capitulatie op 5 mei 1945 hadden de Britten en Canadezen enkele dagen nodig om vanuit Wageningen en Amersfoort het voorheen bezette West-Nederland in te trekken. Vanaf 7 mei was het de taak van de Britse 49e infanterie Divisie (bijgenaamd de Polar Bears) om de Duitse eenheden in de Eemregio te ontwapenen. Voor deze opdracht werden weilanden bij Soestdijk uitgekozen, de velden tussen de Biltseweg en de Koninginnelaan. Duitse troepen kwamen vanuit hun stellingen aan de Eem te voet over de Praamgracht vanaf de Naald afgemarcheerd en troepen vanuit het Gooi via de Amsterdamsestraatweg. Hun route vervolgde zich over de Biltseweg verder langs de Praamgracht. Ter hoogte van de paleistuin begon de ontwapening van de Duitse troepen. Wapens, munitie, helmen en andere gevechtsuitrusting moesten worden ingeleverd. Er ontstonden grote stapels langs de Biltseweg.

Op 10 mei arriveerde een trekker met een aanhangwagen vol oorlogstuig. Deze werd onder toezicht van Britse soldaten van het Leicester Regiment door enkele Duitsers uitgeladen. Toen explodeerde een mijn in de buurt van andere munitie. Een enorme explosie was het gevolg en deed de ruiten van huizen in de omgeving springen. Dertien Britse militairen die in de buurt stonden waren op slag dood en zes andere raakten zwaargewond. Ook sneuvelden enkele Duitse soldaten, waaronder degene die de mijn gooide. Onduidelijk is of het een opzettelijke actie is geweest van de Duitser of een ongeluk.

Noorderbegraafplaats in Hilversum

De Britten die zo kort na de bevrijding sneuvelden, werden op 12 mei begraven op de Noorderbegraafplaats in Hilversum. De dertien soldaten van het Leicester Regiment die sneuvelden en nog altijd in Hilversum begraven liggen zijn:

Private Thomas Vincent Haig Atkin
Corporal Jack Fisher
Private Henry Hall
Private Lawrence Copley Hart
Lance Serjeant Owen William Hartshorn
Private Robert Henry Clement Hyde
Private Vernon George Langley
Private Edward Charles Obeney
Private Samuel Onion
Private Donald Eli Wain
Lance Corporal Roy James Walley
Corporal Lewis George Edmund Whitehall
Private Ronald Wood

Van enkele van deze soldaten is een portretfoto bewaard

Henry Hall uit Sileby, 28 jaar. Hij was getrouwd met Ethel Needham Hall
Henry Hall uit Sileby, 28 jaar. Hij was getrouwd met Ethel Needham Hall
Lawrence Copley Hart, 24 jaar, heeft drie jaar gediend in het leger
Owen William Hartshorn uit Leicester, 24 jaar
Owen William Hartshorn uit Leicester, 24 jaar

Gebruikte literatuur en bronnen

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *