De bevrijding van Lage Vuursche


Wat is er eigenlijk bekend over oorlogsjaren de bevrijding van Lage Vuursche? Deze vraag komt op bij de viering van 75 jaar Bevrijding in Nederland. Oudere Vuurschenaren herinneren zich dat twee geallieerde militairen op de motor in het dorp arriveerden en stopten bij restaurant ‘de Lage Vuursche’. Er zijn een aantal gebeurtenissen die niet vergeten mogen worden. In de aanloop naar de viering van Bevrijdingsdag hebben we een historisch overzicht gemaakt. Daarvoor is gebruik gemaakt van gegevens die werden verzameld door de historische kring van Baarn en Soest. Als er mensen zijn die zich nog meer herinneren over de oorlogsjaren en bevrijding, dan horen we dat graag via: gb.kruijmer@solcon.nl.

1. Onderduikers in ‘het Duikje’

In het voorjaar van 1943 werd door het ‘Vuursche verzet’ een onderduik hut gebouwd in een jong dennenbos. Het is niet meer bekend waar de hut precies stond, maar het moet vlakbij het voormalige klooster zijn geweest, waar nu het verpleeghuis ‘Elisabeth Park’ is. Bij dit klooster was een pomphuisje, dat er nog steeds staat aan de rand van het terrein. Vanaf dit huisje liep een elektriciteitskabel naar de hut. Het kan dus niet ver het bos in zijn geweest, waarschijnlijk op een afstand van zo’n meter of zestig vanaf het hek. Daarachter begint het bos. ‘Het Duikje’ bood onderdak aan een wisselende groep verzetsmensen, maar ook twee bemanningsleden van een geallieerde bommenwerper en een Joodse jongeman. Aanvankelijk was het een ruimte van 7 vierkante meter. Er bleek na verloop van tijd meer ruimte nodig te zijn en de hut werd verbouwd naar 16 vierkant meter. Zo was er ruimte voor 10 personen. Er was een provisorische keuken en een slaapgedeelte. Er stond een lange tafel met drie banken op de houten vloer. Verder waren er twee kasten die plaats boden aan een bibliotheek en radio. Buiten was een verplaatsbare latrine en kuilen voor de fietsen. De rector en moeder-overste van het aangrenzende klooster zorgden voor elektriciteit, voedsel en water. Verder was er de hulp van Staatsbosbeheer, die beloofden om zolang de oorlog zou duren het bosje waar de hut staat te mijden.

De meeste bewoners van Lage Vuursche hadden geen idee van wat zich afspeelde in het bos. Door de historische kring Baarn zijn oude krantenknipsels gedigitaliseerd. Daarin zijn de herinneringen te lezen van Margarethus Oskam, agent van de politie te Lage Vuursche. 

Een letterlijk citaat daaruit:

‘Dat een klein plaatsje groot kan zijn in het verzet, bleek overduidelijk in de achter ons liggende oorlogsjaren 1940 tot en met 1945, toen terreur, verraad en deportatie ons iedere dag bedreigden en het verzet tegen den vijand in alle lagen der bevolking begon te groeien. Toen was het dat Lage Vuursche in het actief verzet tegen den overweldiger werd ingeschakeld. Leek het aanvankelijk alsof alle bewoners van het dorp passief in het verzet tegen den vijand waren, spoedig bleek, dat er zich ook actieve lieden onder hen bevonden, die zich, zonder nog iets af te weten van de aanduiding L.O. als organisatie, onmiddellijk en spontaan gaven, om hun christenplicht en naastenliefde, zonder aanzien des persoons te vervullen en niet lettende op de strafmaatregelen, waarmee de bezetter dreigde.

Op zekeren dag kwam door bevriende relatie de tijding uit Bilthoven, dat er zich 26 Joodsche mensen in gevaar bevonden, die in afwachting van definitieve adressen ergens ondergebracht moesten worden. Het bleek dat die menschen in een huis ondergedoken waren en dat daar nu de Duitsche politie een overval had gedaan. De gezochte menschen hadden zich, dankzij een goed werkend alarmsysteem net bijtijds kunnen verstoppen onder de vloer en in andere schuilplaatsen. Het gelukte de kranige Bilthovenaren die menschen uit dat huis te halen en naar Lage Vuursche en omgeving te vervoeren. Inmiddels was daar voor hen tijdelijk onderdak gevonden en werden de menschen in twee opeenvolgende avonden door de bosschen naar hun tijdelijke adressen gebracht. Zoo was het eerste contact met ‘het verzet’ uit Bilthoven gelegd’.

Vanuit ‘het Duikje’ werden berichten doorgeseind naar Engeland. Men drukte pamfletten, die stiekem naar het arbeidskamp ‘Drakenburg’ bij Hilversum werden gesmokkeld. Onder de kampstaf waren vertrouwde handlangers, die menigmaal moedig hebben gehandeld om de arbeidsmannen te waarschuwen in welke gevaarlijke fuik ze waren terechtgekomen. In bewaarde krantenartikelen die wordt bijzondere aandacht gevraagd voor commandant M. Oskam. Hij bleef op zijn post om het verzet voet aan de grond te geven. Langzamerhand streek de winter neer in bossen van de Lage Vuursche. De dennen verloren vele van hun naalden en verminderden de veilige geborgenheid van de hut. Er waren te weinig dekens in ‘het Duikje’. De onderduikers hadden gebrek aan warme kleding en schoenen. Toen stelde commandant Oskam voor om te gaan kijken of ze in het Hilversumse Arbeidsdienstkamp iets voor hen zouden kunnen missen. Hij trok zijn politie-uniform aan, evenals Jan van Breukelen, een Woerdense onderduiker, en ging polshoogte nemen. Ze wisten een plattegrond van het kamp te bemachtigen en op een donkere oktoberavond in 1943 slopen negen mannen door de bossen op weg naar het kamp. Daar schoof de fourier om drie uur ’s nachts de grendel van een achterdeurtje en liet hen binnen. In ijltempo werden de dekens, truien en uniformen, schoenen, petten en andere uitrustingsstukken in zakken gepakt. Na een aantal minuten slopen de negen weer door het poortje naar buiten en verdwenen in het donker. In de daarop volgende dagen waren er opvallend veel ‘arbeidsdienstmannen’ aanwezig de buurt van Lage Vuursche. Hun papieren waren keurig in orde en de Duitsers lieten hen ongehinderd passeren.

politieagent Margarethus Oskam
politieagent Margarethus Oskam

‘Het Duikje’ heeft bestaan tot enkele dagen na Kerstfeest 1943. Toen ontdekten de Duitsers deze schuilplaats. De verzetsmensen konden op tijd wegkomen. Een van de onderduikers was de latere bisschop Herman Münninghoff (1921-2018). Hij heeft zijn herinneringen verteld aan dhr. Wim Velthuizen in een reportage van RTV Baarn, die zeer de moeite is om te bekijken.

2. De vernietiging van Lage Vuursche voorkomen

In het eerder genoemde krantenartikel, gedigitaliseerd door de Historische Kring Baarn, wordt verteld hoe een onverschrokken politieman de vernietiging van Lage Vuursche op het nippertje voorkwam.

Opnieuw een letterlijk citaat:

‘Het einde van “t Duikje” betekende niet het einde van het ondergronds verzet in de Vuursche. Dàt was nog verder aangewakkerd en bereikte zijn triomphale apothese toen Oskam, bijstaand door de Hilversumse K.P.-ers, Jan van Laren, Karel Kregten en Roel van de Heuvel in opdracht van de Hilversumse B.S. commandant G.J. Dieperink erin slaagden, het dorp Lage Vuursche te behoeden voor een vreselijke ontploffing, die evenmin voor Baarn en Hilversum zonder schadelijke gevolgen zou zijn geweest. De mof had opdracht gegeven 5000 ton munitie op de Lage Vuursche in de lucht te laten vliegen.

Dit heeft Oskam voorkomen! Maar het was op het nippertje. Hij trok zijn politie-uniform weer eens aan en ging een praatje maken met de Hauptmann, die aan het hoofd stond van een afdeling Russen, in Duitse dienst. Door zijn grenzeloze brutaliteit wist hij een plattegrond van de munitie-opslagplaats mee te pikken. Toen werd er overleg gepleegd. De munitieterreinen werden bewaakt door Russen met kwaadaardige honden. De projectielen lagen opgestapeld in hopen, die onderling verbonden waren door schroeikoorden. Als het zaakje opgeblazen zou worden, zouden alle Russen vijf kilometer wegtrekken en slechts de Hauptmann, een eerste luitenant en een vuurwerker achterblijven. De eerste lont zou in vlam worden gezet; het vuur zou naar alle munitiehopen kruipen en met een helse detonatie de Vuursche in de lucht doen vliegen. Over de levens der bewoners bekommerde men zich niet. Toen de Hauptmann op een voor hem kwade dag het plan van de terreinen miste, was hij ziedend van woede. Hij riep de politieman Oskam bij zich en vertelde wat er gestolen was. Oskam troostte de Hauptmann in zijn verdriet en schoof de schuld voor alle zekerheid maar op de ‘partissanen’ onder de Russen, waarover de Hauptmann dan ook de fiolen van zijn toorn uitstortte.

Op een donkere nacht is de heldendaad geschied. De ondergrondse werkers kropen door het mijnenveld, die rondom de munitieopslagplaats lag, ze werkten zich door de prikkeldraad-afrastering en betraden het terrein van de dood. Daar hebben ze alle lonten en schroeikoorden doorgesneden en ze onopvallend met stukjes hout weer aan elkaar gebonden. De vlam zou zijn weg naar de verraderlijke explosieven versperd vinden! Met angst en beven werd de dag afgewacht, waarop de moffen de sabotage zouden ontdekken en wraaknemen.

Doch als redders in de nood zijn op het laatste nippertje de Canadezen gekomen. Hun kanonnen bulderden reeds achter Amersfoort. Toen is Oskam naar de Hauptmann gestapt en heeft hem onbevreesd gesommeerd zich over te geven en als de drommel te maken dat hij en z’n mannen van het gevaarlijke terrein afkwamen. De Hauptmann, volkomen overdonderd, gehoorzaamde en enkele dagen lang, zijn driehonderd russen met 5000 toen explosieven, in bedwang gehouden door één slecht-bewapende Hollandsche politie-agent!’.

Ik heb Hoofdagent Oskam dezer dagen bezocht. Hij zat aan het ziekbed van zijn vrouw, in een aardig huisje in het landelijk Lage Vuursche. Hij vertelde dat hij een week bezoek had gehad van zijn eerste onderduiker: Flying Officer H. Sydny Hobday uit Londen’.

In eerste de kerkenraadsnotulen van de hervormde gemeente na de Bevrijding is te lezen dat het grootste munitiedepot van de Duitsers in Nederland van september 1944 tot mei 1945 was gevestigd bij Lage Vuursche. Na de overgave werd aldaar een gevangenkamp voor soldaten ingericht. Kerk en pastorie bleven onbeschadigd. “De Heere heeft het met de kerk en gemeente wonderlijk wèl gemaakt en ons vorstenhuis terug geschonken. Dat Zijn Naam geloofde worde”.

Er bleven wel munitieresten liggen en dat zorgde voor gevaarlijke situaties, zeker voor spelende kinderen. In augustus 1945 kwamen vlakbij de kerk twee mensen om toen een granaat ontplofte. Het waren de 51-jarige Balthazar Burgman en zijn 17-jarige zoon Albert uit Baarn.

3. Onderduikers aan de Vuursche Steeg

Een plaats waar mensen een veilige onderdak vonden in de oorlogsjaren is de boerderij van de familie Van Dijk aan de Vuursche Steeg. Er zijn dagboekaantekeningen bewaard van onderduiker Kees Tappe, die daar verbleef, samen met zijn broer en zijn latere zwager. Hij hield sinds de slag om Arnhem een agenda met notities bij. De aantekeningen zijn kort, maar fundamenteel. Het geeft een beeld van het leven in de donkere oorlogstijd. Vanuit Velp zijn ze naar Soestdijk gelopen en hebben vervolgens op 22 oktober 1944 op de boerderij in Lage Vuursche een veilige verblijfplaats gevonden.

Kees Tappe en zijn familie, geboren en getogen Arnhemmers, moesten evacueren uit Arnhem. Op Soestdijk trokken ze in bij een tante dichtbij het paleis, die door omstandigheden alleen in een ruim huis woonde. Na verloop van tijd werd de situatie voor de drie jonge mannen onhoudbaar. Er waren veel Duitse soldaten in en rondom Soestdijk en het was ook de tijd dat razzia’s plaatsvonden om mannen te rekruteren voor de arbeidsdienst. Zodoende vertrokken Kees, zijn broer Jopie en Joop Waanders naar de boerderij van de familie Van Dijk. Uit het dagboek van Kees krijgen we een beeld van het leven in de oorlogsjaren. Ze kregen onderdak en werkten mee op de boerderij die er nog steeds is. De aantekeningen nemen ons even mee terug naar de donkere oorlogstijd. Daaruit een kleine selectie.

Op zondag 22 oktober 1944 noteert Kees dat hij ’s morgens met Moeke en Papa naar de kerk is geweest. Het is waarschijnlijk de Emmakerk te Soest geweest, de dichtstbijzijnde kerk vanaf Soestdijk. Op deze dag moeten alle mannen tussen 17 en 50 jaar zich melden. Ze gaan ze op weg naar een boer bij de Lage Vuursche en vertrekken ’s middags om 17 uur met Hans van den Berg. Zo arriveren ze bij de familie Van Dijk. In het dagboek wordt genoteerd dat aardige mensen zijn. De eerste nacht hebben ze goed geslapen.

Op dinsdag 24 oktober 1944 krijgen we een verslag van een dag op de boerderij. Na het ontbijt, dat bestaat uit pap met brood, worden er bieten gerooid tot 12 uur. Dan is er de warme maaltijd en vervolgens gaat het werk op het land verder. Verder gebruikt Kees deze dag om een brief aan Janny  te schrijven. Hij noteert in zijn dagboek dat ze de hele dag geweldig horen schieten en dat er veel vliegtuigen over komen. Ook de volgende dag worden er bieten gerooid. Verder vermeldt Kees dat er In Soestdijk twee huizen in brand zijn gestoken omdat de mannen zich niet wilden melden.

Op zondag 12 november 1944 vermeldt Kees dat ze naar de kerk zijn geweest, dat is waarschijnlijk de kerk in Lage Vuursche geweest. Hij schrijft opnieuw een brief aan Janny en wandelt met Moeke en papa. Verder is het een rustige zondag, ze hebben lekker gegeten en goed geslapen. Op zondag 14 januari 1945 vermeldt het dagboek dat in de omgeving razzia’s zijn gehouden, maar dat het goed is afgelopen.

Deze aantekeningen geven een beeld van het leven in de oorlogsjaren. Ze tonen de problemen waar mensen mee geconfronteerd werden. Het laat zien hoe mensen elkaar praktische hulp hebben geboden. De genoemde Hans van den Berg was een kolenboer die veel op de boerderij kwam. Vorig jaar vertelde dhr. Bertus van Dijk aan Hennie dat in de oorlogsjaren werd aangedrongen om evacués in huis te nemen. Zo kwam de dominee van de Lage Vuursche, dominee A.G. Haring, op de boerderij vragen of een mogelijkheid was om aan twee of drie mensen hulp te bieden. De mensen waren evacués, maar ook mannen – onderduikers – die verordeningen van de Duitsers willens en wetens genegeerd hadden. Een strafbaar feit. Iets wat de familie Van Dijk duur had kunnen komen te staan! Dus wat de van Dijk ’s deden was heel moedig.

Via zijn zoon Frits Tappe is bekend dat Kees en Jopie twee keer zijn opgepakt door de Duitsers en in kamp Amersfoort terecht kwamen. De eerste keer werden ze ergens in de omgeving aan het werk gezet. Tijdens het avond- of morgenappel werd geroepen: ‘Brüder Tappe austreten’. Ze zagen tot hun stomme verbazing hun vader bij de poort staan. Het verhaal is dat hun vader een oude sergeant-majoor van de Duitse militaire politie had omgekocht met een zak bewaarde zilveren guldens. De tweede keer was na een verplichte werkdag, ze waren ingezet voor het werk aan loopgrave. Ze wisten te ontkomen in het duister van de avond. Kees Tappe eindigde de oorlog in Amsterdam, maar het is onduidelijk waar en hoe hij verbleef. Later keerde hij, met zijn familie, terug naar Arnhem.

Staand van links naar rechts: Wout van Dijk (zoon), Hendrika van Dijk (vrouw) Joop Waanders, Mien Tappe, Bertus van Dijk (zoon), gehurkt: Janny Bovenkamp, zittend van links naar rechts: Kees van Dijk, Corrie Tappe, Frits Tappe, Sijmen van Dijk (boer), Piet Drieënhuizen (vriend van familie)

In 2019 jaar zijn Frits Tappe met zijn zus dezelfde route gegaan die zijn vader moet hebben afgelegd, in het kader van de herdenking van 75 jaar Slag om Arnhem. Ze reden door Lage Vuursche en herkenden de boerderij van Hennie van Dijk van foto’s die hun vader had gemaakt in 1947. Op 2 januari 2020 is dhr. Bertus van Dijk op 99-jarige leeftijd overleden.

4. Een tragische gebeurtenis

Bij Lage Vuursche is enige tijd het grootste munitiedepot van Nederland geweest. Er is een tragische gebeurtenis, kort na de bevrijding, die niet mag worden vergeten, waarbij dertien Britse soldaten om het leven kwamen. Deze gebeurtenis is uitvoerig beschreven door Richard de Mos in een artikel met als titel ‘Oorlogstragedie te Soestdijk zonder monument’.

Na de capitulatie op 5 mei 1945 hadden de Britten en Canadezen enkele dagen nodig om vanuit Wageningen en Amersfoort door het voorheen bezette West-Nederland. Vanaf 7 mei was het de taak van de Britse 49e infanterie Divisie (bijgenaamd de Polar Bears) om de Duitse eenheden in de Eemregio te ontwapenen. Voor deze opdracht werden weilanden bij Soestdijk uitgekozen, de velden tussen de Biltseweg en de Koninginnelaan. Duitse troepen kwamen vanuit hun stellingen aan de Eem te voet over de Praamgracht vanaf de Naald afgemarcheerd en troepen vanuit het Gooi via de Amsterdamsestraatweg. Hun route vervolgde zich over de Biltseweg verder langs de Praamgracht. Ter hoogte van de paleistuin begon de ontwapening van de Duitse troepen. Wapens, munitie, helmen en andere gevechtsuitrusting moesten worden ingeleverd. Er ontstonden grote stapels langs de Biltseweg.

Op 10 mei arriveert een trekker met een aanhangwagen vol oorlogstuig. Deze wordt onder toezicht van Britse soldaten van het Leicester Regiment door enkele Duitsers uitgeladen. Dan explodeert een mijn in de buurt van andere munitie. Een enorme explosie is het gevolg en de ruiten van huizen in de omgeving springen. Dertien Britse militairen die in de buurt staan zijn op slag dood en zes andere raken zwaargewond. Ook sneuvelen enkele Duitse soldaten, waaronder degene die de mijn gooide. Onduidelijk is of het een opzettelijke actie is geweest van de Duitser of een ongeluk.

Noorderbegraafplaats in Hilversum

De Britten die zo kort na de Bevrijding sneuvelden, werden op 12 mei begraven op de Noorderbegraafplaats in Hilversum. De dertien soldaten van het Leicester Regiment die sneuvelden en nog altijd in Hilversum begraven liggen zijn:

Private Thomas Vincent Haig Atkin
Corporal Jack Fisher
Private Henry Hall
Private Lawrence Copley Hart
Lance Serjeant Owen William Hartshorn
Private Robert Henry Clement Hyde
Private Vernon George Langley
Private Edward Charles Obeney
Private Samuel Onion
Private Donald Eli Wain
Lance Corporal Roy James Walley
Corporal Lewis George Edmund Whitehall
Private Ronald Wood

Van enkele van deze soldaten is een portretfoto bewaard

Henry Hall uit Sileby, 28 jaar. Hij was getrouwd met Ethel Needham Hall
Henry Hall uit Sileby, 28 jaar. Hij was getrouwd met Ethel Needham Hall
Lawrence Copley Hart, 24 jaar, heeft drie jaar gediend in het leger
Owen William Hartshorn uit Leicester, 24 jaar
Owen William Hartshorn uit Leicester, 24 jaar

Gebruikte literatuur

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *